Archive for mei, 2008

Motiverende film door en voor docent

vrijdag, mei 30th, 2008

What will YOU do today?

Vicky Davis (aka Cool Cat Teacher) is onder de indruk van een film gemaakt door docenten voor docenten. Ze vraagt in haar bericht dan ook aan een ieder om er over te bloggen en de film ook vooral te embedden.

What a great way to summarize the learning in a professional development course for a school! What a great way to let the teachers at your school understand what all of this means.

Dit klinkt uitnodigend genoeg om de film zelf even te bekijken. Nu eens niet op YouTube maar het alternatieve TeacherTube. Statements van docenten die hun dag beginnen met onderwijs waarbij ze allemaal op hun eigen wijze moderne technologie bij inzetten. Die wil ik wel delen!

Tap tap, who´s there?

woensdag, mei 28th, 2008

In een bericht van 27 mei (Kennis: expert of massa?) reageert Wilfred op een bericht van Polle de Maagt (Wisdom of Crowds en/of The Law of the Few?) waarin deze verschillende vormen van expertise als  concepten tegenover elkaar plaatst.

wat is de waarde van de mening van de massa en wat is de waarde van de mening van experts?

Waarom niet de vraag: “Voor wie is deze mening van waarde?” Het gaat uiteindelijk, zo is mijn  indruk, om meningen en niet om wetenschappelijk kennis of feiten. En meningen hebben pas waarde (voor een ander) nadat ze geuit zijn en voor een ander ook iets betekenen.

Naast elkaar plaatsen: oké; tegenover elkaar: waarom nu toch weer? Het gaat mij in dit soort berichten altijd net even te ver om varianten zo tegen elkaar af te zetten als zouden het concurrererende concepten zijn. Doet me denken aan de recente ‘ophef’ over het boek van Keen en alle discussies over de waarde van Wikipedia. Je bent het wel of je bent het niet; je hebt wat te vertellen of niet. 

Er zijn, zo een rapport van de WRR, verschillende soorten kennis en verschillende soorten expertise. In het rapport Van oude en nieuwe kennis De gevolgen van ict voor het  kennisbeleid (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; 2002) wordt hier op een zeer leesbare manier nader op ingegaan. Vooral hoofdstuk twee (“Veranderingen in het kennisbegrip“) is interessant omdat er transparant wordt ingegaan op het ‘ontstaan’ van nieuwe vormen van kennis en over de controverses over expertise die dit tot gevolg heeft:

De geprivilegieerde status van de expert heeft niet alleen zijn oorsprong in diens cognitieve voorsprong ten opzichte van de non-expert. Een belangrijk kenmerk van de expert is zijn onafhankelijkheid. Een expert wordt verondersteld in hoge mate belangeloos en objectief te zijn.

Het onderscheid tussen expertise die zonder problemen wordt geaccepteerd en expertise die ter discussie wordt gesteld, is echter niet stabiel. Er loopt eerder een continuüm van gevestigde en oncontroversiële wetenschappelijke kennis naar kennis die wel in het publieke domein ter discussie wordt gesteld. Hierbij ligt de plaats van een bepaalde expertise op dit continuüm niet vast. (…) Geen enkele vorm van kennis kan definitief aan één van de twee polen geplaatst worden.

Een artikel met een interessante benadering van expertise (“Over concepten die marginaliseren en uitsluiten“) en discussie en inspraak in het publieke domein is van Martijn Duineveld en Raoul Beunen. 

In planning en ontwerp zullen altijd
keuzes gemaakt moeten worden, daarover geen twijfel. We mogen echter niet vergeten dat alle keuzes politieke keuzes zijn en nimmer te objectiveren. Verschillende kennis kan daarbij een rol spelen en niet alle kennis kan even  belangrijk zijn. Maar als we vinden dat  burgers meer betrokken moeten worden bij besluitvorming, moeten we ook  accepteren dat hun kennis en waarden een grotere rol gaan spelen. Daarvoor zullen we moeten accepteren dat kennis niet in dualistische categorieën (feiten vs. waarden, objectief vs. subjectief) is op te delen. Er zijn er ontelbaar meer mogelijk, en ook deze indelingen bepalen we zelf.

De tekst vind je in een themanummer van het tijdschrift TOPOS. Jongens uit een geheel andere discipline maar met een goed verhaal. Zet die gedachtegang maar eens in lijn met de reactie van Verbiest op het rapport van de commissie Dijsselbloem:

Externe sturing leidt tot de-professionalisering van docenten.

Objectieve en belangenloze experts zouden dus niet moeten/mogen marginaliseren op een dergelijke wijze dat dit leidt tot de-professionalisering van een complete beroepsgroep. Toch? Maar zo werkt het blijkbaar niet. Quis custodiet ipsos custodiet? En wie is hier dan de opper-‘expert’? Of wie heeft het gewoonweg voor het zeggen?

Wat te zeggen van deze opvatting van Etienne Wenger Onderwijsinnovatie van december 2007) over expertise in het artikel ‘Leren is: worden wie je bent’:

Als het principe van co-creatie in het onderwijs zou worden toegepast, hoe zou dat er dan uitzien?

Wenger: ‘Het betekent dat een docent er niet zonder meer van uit kan gaan dat zijn kennis vanzelf bij studenten komt binnenvallen. Op een of andere wijze moet hij een ontmoeting creëren tussen zijn eigen expertise en die van zijn publiek. Dat houdt in dat een docent zijn studenten moet beschouwen als experts op een bepaald domein. Hij zou ze op z’n minst moeten beschouwen als aankomende of beginnende leden van een beroepsgemeenschap. Een andere mogelijkheid:beschouw ze als experts in het managen van hun eigen leven en daag ze uit om betekenis te vinden in datgene wat je doceert. Wat is de praktische relevantie voor hun eigen leven? Zo krijg je een zinvol leerproces’.

Moeilijk voor de professional, c.q. docent, dus co-creatie komt maar moeizaam of helemaal niet van de grond, zoals ik al eerder berichtte.

Ook ik onderschrijf de conclusie van Polle: het is een EN … EN verhaal. En dan geef ik graag de voorkeur aan het creëren van ontmoetintgen in plaats van confrontaties.

Achter sommige theorieën, methoden en concepten die tot doel hebben de kennis en waarden van burgers te betrekken bij het ruimtelijk beleid gaan  waarschijnlijk de beste bedoelingen schuil. Maar in plaats dat ze ervoor  zorgen dat burgers meer kunnen worden betrokken, marginaliseren deze concepten ze bij voorbaat. (Duineveld en Beunen)

Wilfreds aanvulling m.b.t. de voorwaarden voor Wisdom of Crowds is aardig maar hij vergeet een aantal zaken die hij recentelijk nog op de managementsite heeft opgepikt. Hoe zit het met fenomenen als ‘groupthink‘ en ‘risky shift‘? Ik kom ze praktisch om de hoek tegen bij onderwijsteams die CGO implementeren. Teams zijn geen crowds, dat is waar. Maar ook op grotere schaal lijken ze werkzaam als valkuilen als je kijkt naar landelijke discussies over bijvoorbeeld de invoering van CGO. Het internet geeft crowds de wendbaarheid en  snelheid van teams.

Wat ik tenslotte mis in het bericht van Polle is de wijze waarop Dave Pollard de ‘theorie’ over de Wisdom of Crowds  in een model heeft geplaatst (TAPPING THE WISDOM OF CROWDS: AN INTEGRATED MODEL). Een uitwerking die verder gaat dan de paar voorwaarden van de ReadWriteWeb.

Tapping into the Wisdom of Crowds with a disciplined process will reduce or eliminate the need for (and cost of) ‘expert’ consultants, academics and focus groups, while producing better decisions and solutions than those experts can offer.

Plan-Do-Study-Act: klinkt zo veel vriendelijker

maandag, mei 26th, 2008

De leraar zou gebaat zijn bij meer reflectie op het eigen werk. Maar hij staat er niet altijd voor open.

Er niet open voor staan, er niet aan toe komen; ik laat graag in het  midden waar het aan ligt. Een uitspraak als deze, beginnend met “De leraar …” zal op veel tegenwerpingen en bezwaren mogen rekenen. En dan nog wel een uitspraak van de inspecteur-generaal voor het onderwijs, gedaan naar aanleiding van het meest recente onderwijsverslag “De staat van het Nederlandse onderwijs“.

Roeters: „Scholen hebben die gegevens, maar missen blijkbaar de kennis om er goed mee om te gaan.”

Kijkend naar deze uitspraak vind ik de kop van het bericht op de site van de inspectie “Scholen evalueren hun resultaten onvoldoende” aansprekender en ook meer ter zake dan de kop in Trouw: “Leraar geeft slechter les“.

We doen veel goede dingen in het onderwijs, maar weten dat niet altijd vast te houden of te verheffen tot leermoment. We hebben ook al vaker aangehoord dat we de cirkel/cyclus niet rond maken. Niet alleen scholen evalueren onvoldoende, ook leraren zijn daar zelf liever niet mee bezig. Wellicht komt dat mede door de wijze waarop reflectie en evaluatie worden ‘gebracht’ in termen van plan & control en checks & balances. Kretelogie die veel wordt gebezigd maar zo weinig met onderwijs te maken heeft. Daarbij laat ik de reguliere bedrijfsvoering graag even buiten beschouwing. (Hoe ik mijn kinderen opvoed, staat grotendeels los van de hoeveelheid zak- en kleedgeld die ik verantwoord vind dan wel de vraag of ik het redelijk vind dat zoon of dochter al op zestienjarige leeftijd bijverdient, etc.)

Door middel van de doorbraakmethode wordt de professional, in welke branche dan ook, geprikkeld om zelf aan de kwaliteit van het dagelijkse werk te sleutelen. Een methode die is bedacht door een professional en niet een of andere qualitymanagement-goeroe. Een methode, voor professionals, gericht op snelle resultaten (laaghangend fruit) en niet omkleedt met te veel bureaucratie. En deze professional, de Amerikaanse kinderarts Don Berwick, heeft er voor gekozen om te spreken van Plan-Do-Study-Act. Een simpele maar zeer doeltreffende aanpassing van het bekende Plan-Do-Check-Act.

Annette Roeters verontschuldigt zich welhaast door de volgende uitspraak:

Wij staan niet voor een evaluatie ván het onderwijs, maar eentje vóór het onderwijs. Wij willen dat scholen de komende jaren beter gebruik maken van gegevens die zij zelf al hebben.

Maar, beste mevrouw Roeters, een schooldoorlichting (externe evaluatie) is wel degelijk iets heel anders dan schoolontwikkeling (interne evaluatie). Dus laat het onderwijs nou studeren op ervaringen om er van te leren en laat de inspectie maar checken of de ervaringen wel aan de (normatieve) kwaliteit blijven voldoen. Innovatie is nu eenmaal geen normatief proces. En toezicht uitoefenen leidt al absoluut niet tot innovatie, i.c. ‘out of the box’-denken.

De controlevragen (tja, ik heb het woord niet bedacht; ijkpunten was me liever geweest) die de commissie Dijsselbloem heeft aangereikt, vormen volgens mij een goed kader voor onderwijsontwikkeling. Tenslotte begint iedere cyclus met nadenken (de planfase) en dus met het vaststellen van een aantal ontwerpprincipes of onderwijskundige ijkpunten. De term controlevragen veronderstelt echter dat je alweer verderop in de cyclus zit. Ook de commissie Dijsselbloem kan zich blijkbaar niet van een model van beheerste/gemanagede onderwijsontwikkeling

Standaardisering van examens

zaterdag, mei 24th, 2008

In competentiegerichte examinering is geen plaats voor een gestandaardiseerd  examen voor Nederlands en moderne  vreemde talen.

Dit is de stelling in het laatste nummer van Toetsvisie, een uitgave van  Cito.

Twee collega’s uit het veld hebben vervolgens hun standpunt ingenomen en uiteengezet. Als je dan leest wat aan het standpunt van beiden ten grondslag ligt …. Tja, geen wonder dat de standpunten zo’n beetje tegenover elkaar staan.

Opponent 1 (Jan Harm Vos | Expert onderwijs en examinering,
Rijn IJssel Vakschool Wageningen) maakt het terechte onderscheid tussen examenstandaarden in de zin van (beheersings)criteria en het examen  als product/toets. 

Standaardisering van examens is iets anders dan centrale
uniforme examens.

Hij is het daarom met de stelling eens; maar … hij is niet tegen standaardcriteria. Volgens Vos dient daarnaast toch vooral de nadruk te blijven liggen op de beheersing van beroepscompetenties en in mindere mate op de meer funderende competenties als Nederlands, Rekenen-Wiskunde, de Moderene Vreemde Talen. Ik geef hem in beide opzichten gelijk.

Opponent 2 (Joke de Jonge | Stafmedewerker Onderwijs en Kwaliteitszorg Noorderpoortcollege) is het niet met de stelling eens. Zij steekt bij haar argumentatie echter van wal in termen van normen en niveaus.

Waarom zouden er geen normen gesteld kunnen of mogen worden aan het niveau van een toekomstig beroepsbeoefenaar?

Een interessante vraag die echter niets met de stelling te maken heeft. Daarmee doelt De Jonge dus eigenlijk op de nuancering die Vos aanbrangt. Want ook Vos is vóór gestandaardiseerde criteria. Maar dat is helaas geen reactie op de stelling. De redenatie van De Jonge eindigt uiteindelijk bij landelijke methoden en examens.

Net zoals momenteel landelijk allerlei methoden ontwikkeld worden voor niveau 1 t/m 4 om een taal te leren, zouden volgens mij ook landelijke examens ontwikkeld kunnen worden om het taalniveau te toetsen.

Kijkend naar de stelling en de reacties bekruipt me het gevoel dat niet direct duidelijk wordt wat  met “een gestandaardiseerd examen” wordt bedoeld. Gaat het om de de beheersingsniveaus; de beheersingscriteria; de toetscriteria; de toets- of examenvorm of zelfs het gehele examenproces. En als experts uit het veld al zo snel langs elkaar praten …

De landelijke discussie die momenteel speelt over standaarden t.a.v. examens wordt mijns inziens door dezelfde onduidelijkheid vertroebeld. Wat dat voor de uitkomsten van die discussie en voor het CGO inhoudt, zal de tijd uitwijzen.

Virtuele Open High School in Utah

dinsdag, mei 20th, 2008

Een bijzonder inititatief en waarschijnlijk het eerste in zijn soort. De staat Utah kent een Open High School die zich uitsluitend baseert op Open Educational Resources (OER).

The mission of the Open High School of Utah is to provide Utah students with an excellent education through an online, virtual environment that will help them achieve their full academic and social potential.

The core philosophy of the Open High School of Utah is that education is a universal human right and that the most effective education is hands-on, service-oriented, and available to anyone. Because of this philosophy, OHSU is committed to using open educational resources – educational materials that can be freely and legally copied, changed, and shared.

Deze charter school  vraagt om ieders medewerking. De eerste fase in de opstart bestaat namelijk uit het inventariseren van beschikbare open educational resources. Deze kunnen op de speciale wiki worden ‘aangemeld’ onder vermelding van het type, de bron (URL) en de licentie.

Natuurlijk heeft deze Open High School ook kenmerken van reguliere scholen. Het is de bedoeling om na de inventarisatiefase de verschillende OE-resources te verbinden met het curriculum (state curriculum standards) en de leerdoelen. Daarna wordt bekeken welke resources er nog ontbreken om deze vervolgens zelf te gaan ontwikkelen. Tenslotte is het ook de bedoeling om passende, afgestemde toetsing te ontwikkelen.  

OHSU offers a full college preparatory program and the opportunity for students to earn both a high school diploma and an associate’s degree from the Utah State University, emphasizing computer science.

Voor de didactiek van deze virtuele school wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde service-learning.

service-learning is a form of experiential education where learning occurs through a cycle of action and reflection as students work with others through a process of applying what they are learning to community problems and, at the same time, reflecting upon their experience as they seek to achieve real objectives for the community and deeper understanding and skills for themselves.

Wat service-learning inhoudt wordt duidelijk door onderstaand voorbeeld:

For example, if school students collect trash out of an urban streambed, they are providing a service to the community as volunteers; a service that is highly valued and important. When school students collect trash from an urban streambed, then analyze what they found and possible sources so they can share the results with residents of the neighborhood along with suggestions for reducing pollution, they are engaging in service-learning.

Het leren staat dus altijd in dienst van enerzijds de student en anderzijds een bepaalde vorm van dienstverlening zoals maatschappelijke dienstverlening.

Of je een volledig onderwijsprogramme op die manier zou kunnen inrichten en uitvoeren is maar de vraag. Maar op onderdelen zal het zeker mogelijk zijn om deze verbinding te maken. Ook in het MBO worden bepaalde projecten die studenten uitvoeren vaak verbonden aan maatschappelijke organisaties en doelen. Wat nog onduidelijk is hoe zaken als de intake, inschrijving, begeleiding en dergelijke worden vormgegeven. Toch zaak om dit initiatief via de weblog van David Wiley in de gaten te houden.

Principes voor een nieuwe mediawijsheid

zaterdag, mei 17th, 2008

In een essay van Dan Gilmor voor Publius stelt hij een aantal principes voor waaraan het gebruik van nieuwe, digitale media zou moeten voldoen. Volgens Gilmor is de belangrijkste reden om principes te formuleren het vraagstuk van het vertrouwen. Wat kun je vertrouwen van die grote hoeveelheid informatie die via het internet tot ons komt.

How we govern ourselves on the Web depends in significant ways on the answers. To get this right, we’ll have to re-think, or at least re-apply, some older cultural norms in distinctly modern ways.

Bij het geven van zijn antwoord gaat Gilmor helaas uitsluitend uit van een journalistiek invalshoek (“All of the principles above are part of the toolkit of every responsible journalist”). Daarmee veronderstelt hij dat mensen die informatie op het internet plaatsen daar ook overwegend een journalistiek bedoeling mee hebben. En dat is natuurlijk niet zo. De kritiek die bloggers veel over zich krijgen is bijvoorbeeld dat ze als ‘wannabee’-journalisten alle regels der journalistiek met voeten treden.

Wat zijn de principes die Gilmor opvoert:

Be skeptical of absolutely everything.

But don’t be equally skeptical of everything.

Understand and learn media techniques.

Ask more questions.

So are a few more, including the ones that every traditional journalist of any honor would embrace, namely thoroughness, accuracy, fairness and independence.

In the digital world, even more than the analog one, we need to add transparency to that list, because the thinking behind the media deserves exposure in addition to the work itself.

Gilmor is onder andere directeur van het Center for Citizen Media. Zijn opvattingen over de mogelijkheden van moderne media gaan blijkbaar niet verder dan dat de traditionele, vooral journalistieke, media voor meer mensen toegankelijk zijn geworden. Anders gezegd de media zijn niet veranderd maar gedemocratiseerd. Vandaar de vraag hoe we een en ander weer in de greep krijgen (“How we govern ourselves …”).

Hoewel zijn essay geen reactie is op het essay van Weinberger over ‘Tacit Governance‘ lijkt Gilmor een uitgesproken voorstander te zijn van het formuleren van expliciete regels voor het verantwoord gebruik van internet. Bovenstaande principes zijn volgens mij voor maar weinig bloggers van belang. En toch is het volgens Gilmor ook voor bloggers van belang dat ze vooral transparant zijn:

Bloggers, too, need to adopt more transparency

Gilmor stelt zich dan wel niet zo op als Andrew Keen, die al die internetgebruikers maar amateurs vindt, maar eindigt wel met de waarschuwing die er een beetje op neer komt dat we een kind een wapen in handen hebben gedrukt:

If we really believe that democracy requires an educated populace, we’re starting from a deficit.

API’s en mashups: Googles wapens

zaterdag, mei 17th, 2008

Steeds meer interessante, bruikbare of grappige web 2.0 toepassingen onstaan door de vrije uitwisseling van API’s. API’s kun je kortweg omschrijven  als programmakoppelingen (interfaces) die het mogelijk maken verschillende applicaties met elkaar te laten praten.

De mogelijkheid om bij Zoho in te loggen met een Google of Yahoo  account (waarover ik recentelijk berichtte) is te danken aan de uitwisseling en het gebruik van API’s.  In dit geval gaat het om de API Friend Connect (van Google). 

Het belang van Google in de samenwerking met partijen als Zoho maar ook met sociale netwerken (als Ning, MySpace en Facebook) werd mij enige tijd geleden  duidelijk. Een  artikel over de belangrijkste inkomstenbron van Google, namelijk advertenties en informatie over surfgedrag van internetters (zie de aankoop van doubleclick door Google). In dit artikel werd uitgelegd dat gebruikers die binnen sociale netwerken verkeren voor Google als het ware onzichtbaar zijn.

Door API’s als OpenID, Open Social en Friend Connect  wordt het voor Google mogelijk in de sociale netwerken te penetreren om dat te doen wat Google 24/7 doet: informatie verzamelen. Maar dan geen informatie over over websites, blogs en dergelijke. Nee het gaat om informatie over internetgebruikers. En het is niet de bedoeling dat Google dit doet zonder dat gebruikers dat weten en goedkeuren. Dit gebeurt echter wel.

We’ve found that it (Friend Connect, PM) redistributes user information from Facebook to other developers without users’ knowledge, which doesn’t respect the privacy standards our users have come to expect and is a violation of our Terms of Service.

Reden voor Facebook om de samenwerking met Google en het gebruik van Friend Connect even op een laag pitje te zetten.

Publius project: een verslaving

vrijdag, mei 16th, 2008

Ik heb me de afgelopen dagen een slag in de rondte gelezen op deze  nieuwe site van het Berkman Center: Publius.cc. Zie over de site ook dit korte bericht van Marie Jose Klaver.

Het startpunt van deze verslavende tocht langs een aantal prachtige essays was de tekst van David Weinberger (Tacit Governance) over de rol van governance op het internet, of liever nog het ontbreken van expliciete governance. Governance, die aan de oppervlakte komt in de vorm van expliciete regels, is volgens Weinberger het litteken(weefsel) van communities die het niet zonder hebben gered. Die niet in staat zijn gebleken zonder regels tot een sociale orde te komen. 

The lack of explicit constitutions and explicit rules often is a sign of health.

 En dat is nog maar een tipje van de sluier van dit prachtige essay. 

Governance that is imposed from without is almost always mainly harmful. It thinks clarity and precision are virtues,
when in fact they drive out the gentle negotiation by which problems are solved and, more important, by which groups become more than merely well-regulated collections of individuals. This is true online and off.

Ieder essay biedt de mogelijkheid van comments. Maar de reacties zijn tot nu toe allemaal in de vorm van evenzeer doorwrochte essays. Wat een rijke inzichten; wat een interessante discussie, wat een genot om te lezen! 

Voor iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkeling van internetgemeenschappen, de ontwikkeling van bijbehorende waarden, normen en sociale rollen zijn deze essays echt een absolute aanrader. Het gaat te ver om de kern van de discussie hier puntsgewijs weer te geven. Ik zou daarmee de kwaliteit van de discussie en de afzonderlijke bijdragen te kort doen.

Waarom dit onverholen enthousiasme voor essays over governance, normen, waarden en regels binnen internetgemeenschappen. Omdat ik steeds meer de overtuiging heb dat het herontwerp van ons onderwijs een kwestie is van sociale innovatie.

Daarbij is de wezenlijke vraag of je bij community-vorming moet beginnen met het opstellen van regels. Regels over bijvoorbeeld interactie en participatie; want daar draait het in het huidige onderwijs toch om? En of je studenten, naast een onderwijsovereenkomst, ook meteen een ‘sociaal contract‘ moet voorleggen, daarmee het ‘lerende’ individu ondergeschikt makend aan een meer algemeen, economisch en sociaal-maatschappelijk belang. Daarom dus. Vooral de reactie van David Johson op het essay van Weinberger (“The Virtues of Being Explicit“) is hier uitgesproken duidelijk in.

Volgens Lee Shulman (president van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching) begint het onderwijs met het engageren van de student. En die opvatting ben ik toegedaan. Wel enigszins paradoxaal bij Shulman trouwens, want in zijn artikel Making Differences: A Table of Learning zet Shulman ‘ zijn’ taxonomie neer met de kanttekening: “there is no single first stage”. (Dit artikel maakt trouwens geen deel uit van de Publius-reeks, maar zet het wat mij betreft ook maar op je lijst van to-read’s.) Een belangrijke voorwaarde is volgens Shulman verder het (wederzijdse) vertrouwen.

In both the emotional and collaborative aspects of learning, the development of trust becomes central. Learners must learn both to trust and to be worthy of trust.

En dat brengt me weer terug bij de stelling van Weinberger dat een gezonde gemeenschap geen expliciete regels nodig heeft.Geldt hetzelfde als je praat over het vertrouwen dat je in een community (of learners) nodig hebt. Vertrouwen met of zonder regels. 

Vandaag berichtte Weinberger op zijn eigen webog (Joho the blog) over een interview dat Howard Greenstein met hem had over zijn essay over ‘Tacit Governance’ en het Publius-project in het algemeen. Het interview kun je hieronder bekijken. 

Supercool School is live

donderdag, mei 15th, 2008

Supercool School is live. Het is een facebook applicatie waarover ik eerder een berichtje heb geschreven.

Supercool School maakt gebruik van het sociale netwerk Facebook om mensen met een leervraag in verbinding te brengen met mensen die zich geroepen voelen die vraag te beantwoorden. Dit ‘vraag en aanbod’-spel werkt dus naar twee kanten, Iedere Facebook-gebruiker kan een ‘request’ als ‘learner’ indienen dan wel een ‘request’ beantwoorden door de ‘teacher seat’ te claimen. Hoe dit allemaal werkt wordt dudelijk in onderstaand filmpje op Blip.tv.  Interactie vindt onder andere plaats via video en audio (de teacher), een presentatie (powerpoint of pdf) en een chatroom. Al deze onderdelen komen in de online classroom samen in één scherm.

Al met al een leuke en ook zeer interessante toepassing voor vormen van non-formeel leren. Binnen de onderwijsvernieuwing die CGO heet, wordt ook driftig gezocht naar nieuwe manieren om het onderwijs op een flexibele manier te organiseren en plannen. Misschien zijn toepassingen als deze wel de voorloper van toepassingen die we op korte termijn in het formele onderwijs gaan tegenkomen.  

Openness in optima forma

woensdag, mei 14th, 2008

Users don’t have to create a Zoho account to use Zoho applications. We want to make it as easy as possible for everyone to try our online apps.

Zoho, de veelgeprezen concurrent van Google Docs, maakt bekend dat je ook met een Google account toegang kunt krijgen tot Zoho. En datzelfde geldt ook voor iedereen met een Yahoo account. Een opmerkelijke ontwikkeling als je bedenkt dat deze grootmachten het moeten hebben van hun online services en Zoho nog in de kinderschoenen staat maar al wel flink aan de weg timmert.

Volgens Dan Farber (cnet.com) is het waarschijnlijk voor alle partijen een goede ontwikkeling en wordt Zoho door Google niet als een bedreiging gezien.

´╗┐